Kodo

zoon van de samoerai

Kodo woont samen met zijn vader in het veerhuis aan de brede rivier. In de verte zie je de Foedji, de eeuwige berg. Achter het veerhuis begint het geheimzinnige cederbos, van waar de Ninja’s zullen komen, Ninja’s die zijn vader kwaad willen doen. Elke dag oefenen Kodo en zijn vader – een voormalig samourai - met het zwaard, om de Ninja’s te kunnen verslaan. Ze zullen aanvallen bij volle maan. Maar waarom? Wat is er vroeger gebeurd? Met de hulp van Ichigen – de ziel van het penseel ofte inspiratie – ontraadselt hij het geheim van zijn bestaan. Het gaat over liefde over de dood heen, over de kracht van verhalen en over vertrouwen in jezelf en in anderen. Ik vind dit een beetje een bevreemdend boek. De Japanse setting is voor ons totaal onbekend en zorgt ervoor dat je als lezer geen herkenbaar referentiekader hebt. Dit is niet noodzakelijk een nadeel. Het laat ons toe dit mysterieuze verhaal anders te benaderen. Het is een gevoelig en sfeervol verhaal, waarbij de actie op de tweede plaats komt. Niet dat actie onbelangrijk is, maar de auteur heeft toch meer aandacht voor de interactie tussen de personages: hun gevoelens, hun drijfveren, hun twijfels, hun zoektocht. Ook is er heel wat stof om over na te denken: de strijd tussen goed en kwaad, groeien in verantwoordelijkheid, trouw en verraad, open staan voor elkaar zonder vooroordelen … Toch is het boek ook speels, kleurrijk en sfeervol. Het tempo ligt soms wat laag, maar dat geeft je als lezer tijd om over wat je leest te reflecteren. Het boek is naar mijn gevoel iets te zweverig, ook al door de haiku die her en der opduiken. Maar het geheel mag er best wezen.