Kim Crabeels

Sta je er bewust bij stil dat tekeningen of verhalen de blik van een kind kunnen verruimen? 

Zeker. Enerzijds verruimt het schrijven van een kinderboek mijn blik. Op zo’n moment probeer ik om de wereld door kinderogen te zien en de grenzen van de zuivere logica en het rationele denken los te laten. (Dat lukt me trouwens aardig. Ik zit niet altijd even logisch in elkaar.) Anderzijds tracht ik die jonge lezertjes via een kinderlijk beeld ook iets ‘méér’ aan te reiken. Een gedachte die blijft hangen, iets moois, iets warms, iets grappigs, iets wat hen raakt en waarvan die kinderen, en ook hun ouders, misschien zeggen: ‘hé, zo had ik het nog niet bekeken.’ Dat doel is natuurlijk net iets sterker aanwezig in een boek als ‘Mijn opa is een boom’ dan in ‘Magnus en de kakado’, hoewel de vraag waar zo’n kakado’s naartoe zwemt na het doorspoelen wél heel veel kinderen in de ban houdt. :-)

Heb je bewust gekozen om voor kinderen te schrijven of tekenen of is dat eerder toevallig zo gekomen? 

Dat is een beetje per ongeluk gegaan. Het was niet mijn grote droom om kinderboeken te schrijven, toch niet bewust, en daar ben ik wel blij om. Als ik vooraf had geweten hoe ontzettend leuk dit is – heerlijk mogen wegdromen en je fantasie de vrije loop laten want dat is ‘je werk’; kippenvel voelen als je die eerste illustratie bij een nieuw verhaal ziet; je eigen boeken spotten in een mooie boekhandel; horen dat jouw boek deel uitmaakt van het slaapritueel van een klein jongetje of meisje (en ga zo maar door) - … Had ik dat alles dus geweten, dan zou ik helemaal verkrampt zijn geraakt. Nu ben ik er heel toevallig ingerold. Drie kinderen namen mijn leven over. Stapels kinderboeken palmden ons huis in. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Ik begon steeds vaker kinderboeken voor mezelf te kopen. Of ik kocht ze dubbel: één exemplaar om te beduimelen en één om ongeschonden voor mezelf te bewaren. Ik schreef een verhaal voor mijn zoontje Magnus die het hele huis wakker hield en daarna ging het snel. Niet zoveel later stond ‘Magnus kan niet slapen’ bij ons op de boekenplank. En nu kan ik me al niet meer voorstellen dat er iets is wat ik liever zou doen dan dit.

Bekijk je je eigen werk vaak en kun je daar van genieten of zie je alleen wat beter kan? 

Een eerste exemplaar van een nieuw boek staat een hele tijd op de boekenplank te blinken voor ik er echt naar durf te kijken. Zeggen ‘dit is af’ vind ik moeilijk. Wel observeer ik vrienden en familieleden die zo’n eerste exemplaar zelf voor het eerst bekijken nauwlettend. Pas als ik hen zie glimlachen of knikken valt er een pak van mijn hart en durf ik mijn nieuwe boek ook zelf te bekijken. Natuurlijk zijn er altijd dingen die anders hadden gekund. Een verhaal kan op zoveel verschillende manieren worden verteld en mensen evolueren voortdurend. Een boek is een momentopname, maar wel een waar je op dat moment volledig achter stond. Dus ja, ik kan ervan genieten. Maar een boek dat klaar is, geeft me ook een boost om er nog eentje te maken, eentje dat weer anders en wie weet nog mooier is.

Hoe zou je je eigen werk omschrijven? Wat is het meest kenmerkend voor jouw stijl? 

Humor is zeker een belangrijk element in de Magnusreeks, maar ook in meer gevoelige teksten als ‘Mijn opa is een boom’ en ‘Mist in mijn hoofd’ zit veel geestigheid. Ik hoop dat dat evenwicht tussen geestigheid en ontroering kenmerkend is voor wat ik doe. Altijd een lach en soms een traan, zoiets.

Wat is voor jou het mooiste compliment dat je kunt krijgen over je werk? 

Kinderen die alle remmen loslaten en heel hard lachen en meedoen tijdens een vertelling. Of als onbekenden me zomaar een mailtje sturen om te vertellen wat een boek met hen of hun (klein)kinderen doet. Een geboortekaartje van een wildvreemde Magnus in de brievenbus. (Ik heb er al een paar!) Zien dat iemand tijdens het lezen van mijn woorden binnenpretjes heeft. Mijn schoonvader die met rode ogen en een brok in zijn keel vertelt dat hij dat verhaal voor 6+ zo poëtisch en ontroerend vindt. Een vrouw die na een vertelling komt vertellen dat ze haar kat Trixie Poes heeft genoemd, naar de kat in de Magnusboeken. In de eerste plaats dus waardering van het doelpubliek, maar natuurlijk leef ik ook op van een goede, doordachte recensie. Daar kan je niet omheen.

Wat is je volgende project? 

Dat wordt een bijzonder prentenboek-stripverhaal-leesboek (work in progress!): een romantisch liefdesverhaal over de lelijkste vis ter wereld, met illustraties van Emma Thyssen.

Wat wil je in de toekomst zeker nog doen of maken? 

Een echte voorstelling waarin woord, beeld en muziek mooi samenkomen. En ik zou ook graag een keer willen meewerken aan een scenario voor een tv-reeks. Een luisterboek maken (en zelf ook een stemmetje doen) staat ook nog op mijn wenslijstje!

Heb je bepaalde rituelen voor je start met werken? 

1. Een verse kop koffie (moet in mijn favoriete kopje). 2. Alles netjes ordenen (neurotisch) 3. Start!

Werk je met een vaste structuur of laat je je leiden door inspiratie? 

Ik probeer zeker orde te scheppen in de chaos van mijn gedachten. Maar zonder chaos gebeurt er niets. Er moet een vonk zijn. Ik moet in het wilde weg kunnen brainstormen. Dat doe ik vaak tijdens het joggen. Ik neem altijd een dictafoontje mee naar buiten. Thuis schrijf ik de goede ingevingen en mooie zinnen neer, als ik ze kan horen tenminste. Soms heeft de wind letterlijk al mijn woorden weggeblazen. Die ideeën laat ik een tijdje gisten voor ik me echt aan het structureren zet. Maar vooraf de lijnen uitzetten van a tot z lukt me niet altijd even goed. Vaak heb ik gewoon te veel zin om erin te vliegen. Een beetje chaos werkt voor mij het best.

Ben je iemand van vele stappen en kladversies of balt je concentratie zich samen tot alles er in één keer uit komt? 

Ik kan blijven schaven aan een tekst. Elk verhaal kan op zoveel manieren worden geschreven. Ik vind het moeilijk om te zeggen: ‘nu is het AF’. Ik maak heel veel kladversies en verlies me soms echt in details.

Niets lukt wat je ook probeert...wat doe je met zo’n verloren dag? 

Blijven zitten - grommen – zuchten – loopschoenen aantrekken – uitwaaien – terugkomen en denken: ‘hè, dat had ik veel eerder moeten doen’ – opgelucht opnieuw beginnen.

Laat je je voor het creëren inspireren door andere bronnen (muziek, boeken, internet, kunst, tijdschriften..) 

Een verhaal begint bij mij meestal met een klein artikeltje in de krant, een mooie zin in een liedje, een beeld uit het nieuws of een uitspraak van een van mijn kinderen. Ik verzamel al die flarden en knipsels, schrijf er dingen bij in de kantlijn en stuur reminders aan mezelf: ‘daar moet je ooit eens iets mee doen’. Op sommige dagen voel ik me een echte spons. Dan komen er zoveel indrukken op me af. Ik neem ze maar op en hoop dat ze er even later weer uitkomen in de vorm van een goed verhaal.

Wat of wie zijn je grootste inspiratiebronnen? 

Ik haal veel inspiratie uit muziek. De liedjesteksten van Roos Rebergen (Roosbeef) vind ik bijvoorbeeld heel poëtisch. Of die van Florence Welch en Björk.

Welk boek uit je kindertijd heeft het meeste indruk gemaakt? 

‘Een rimpel in de tijd’ van Madeleine L’Engle, en ‘Met gekleurde billen zou het gelukkiger leven zijn’, een reeks ‘onvergetelijke gedichten’ verzameld door Jan Van Coillie. Alles van Ed Franck, André Sollie en Bart Moeyaert.

Wat is jouw favoriete voorleesboek? 

Ik ben een grote Vos en Haas-fan! Op dit moment lees ik ook graag de boeken van Pépé Smit voor, Fred het hert enzo.

Welk boek las je onlangs? 

Half mens van Maartje Wortel.

Wie zijn je favoriete tekenaars en/of schrijvers 

Aan die opsomming wil ik zelfs niet beginnen. Ik zou altijd mensen vergeten en tekort doen. Zoveel mensen die ik bewonder om wat ze doen! Dit jaar was ik voor het eerst op de grote kinderboekenbeurs in Bologna en daar dacht ik bij mezelf: 'wauw, wat mogen we fier zijn op al die prachtige kinderboeken van bij ons!' Echt, we hoeven hier niet onder te doen.