De jongen die z'n ouders liet verdwijnen
In De jongen die z’n ouders liet verdwijnen krijgt Harrison op een kinderfeestje (van Shelley, de feestbegeleidster en echte astronaut) geen gewone ballon mee, maar een zwart gat aan een touwtje. Wat eerst een grappige gimmick lijkt, blijkt een gevaarlijk geschenk: alles wat Harrison erin gooit, verdwijnt. Aanvankelijk gebruikt hij het zwarte gat om vervelende dingen kwijt te raken (groenten op zijn bord, de hond van de buren), maar al snel verliest hij het inzicht.
Wanneer Harrison in huis zijn woede laat overheersen, zwaait hij het zwarte gat wild rond: dan verdwijnen niet alleen dingen die hij vervelend vindt, maar ook zijn ouders. Vanaf dat moment verandert het verhaal in een spannende zoektocht: Harrison moet proberen om zijn ouders terug te krijgen, en om te leren omgaan met zijn boosheid en impulsiviteit.
Dankzij Shelley’s “ballon” krijgt Harrison de kans (en de verantwoordelijkheid) om te beseffen dat je emoties en ruzies niet kunt “weggooien” zonder gevolgen. Het boek blijft fantasierijk en grappig, maar krijgt door het zwarte gat een serieuze ondertoon: het toont hoe één fout gefundeerd in boosheid een wereld op z’n kop kan zetten.
De schrijfstijl is vlot en duidelijk, waardoor jonge lezers makkelijk meegaan in het absurde maar boeiende avontuur. De jongen die z’n ouders liet verdwijnen is een fantasievol en spannend verhaal, én een slimme, donkere les over keuzes, emoties en verantwoordelijkheid.