De lange, lange reis

In Antarctica, het Zuidpoolgebied, legt een jong pinguïnvrouwtje haar eerste ei. Het mannetje dat bij haar hoort, liefkoost haar nek en zingt zijn lied tot het vrouwtje het ei weg laat rollen. Het mannetje schuift het ei op zijn voeten en bedekt het met zijn huidplooi. Vanaf dan zorgt hij twee maanden lang voor het ei. Hij beschermt het tegen de ijskoude winterstorm op Antarctica. Het vrouwtje begint dan met de andere vrouwtjes van de kolonie aan een barre tocht naar de open zee. Daar zullen ze eten zoveel ze kunnen en zoveel mogelijk voedsel opslaan. Want twee maanden later voelen ze instinctief dat het tijd wordt om naar hun partner terug te keren. Na een nog langere reis, doordat de ijsvlakte in de winter groter is geworden, vinden de vrouwtjes hun kolonie terug. Elk vrouwtje zingt haar eigen lied en wacht op het antwoord waaraan ze haar partner herkent. Eens ze elkaar hebben terug gevonden, laat het mannetje het jong over aan de zorgen van het vrouwtje en trekt hij met zijn soortgenoten naar de open zee. In haar naschrift licht de schrijfster toe hoe ze twee zomers en één winter natuuronderzoek heeft gedaan op Antarctica. Daar is haar bewondering voor de keizerspinguïns gegroeid. In dit prentenboek beschrijft ze op een eenvoudige manier een cruciale periode uit het leven van deze dieren. De illustraties van Alan Marks proberen een beeld te geven van de ijzige kou en het onaardse licht dat de bevroren wereld kleurt. De geur van eucalyptus die uit de bladzijden opstijgt, verstevigt het winterse gevoel.